'Olé! zei de man uit Quito

Geert van der Kolk • 23 januari 2021

Teresa was na de Fiesta van de heilige Salvador in de stad blijven hangen, meer zomaar dan met opzet, en na een week was haar geld op.
     'Ik blijf liever hier,' zei ze. 'Thuis in Gotera is toch geen werk, en het is er zo saai door de oorlog.'
     Ze zat op de rand van Antonieta's bed.
     'Blijf dan,' zei Antonieta vanuit de douche. Ze waste haar voeten in de wasbak. 'Hoe laat is het? Is het al zo laat? Het water is op.'
     'Ik heb geen geld,' zei Teresa. 'Don Berto vroeg gisteren wanneer ik zou betalen, omdat hij ook rekeningen heeft.'
     Antonieta kwam uit de douche, in een vuilwit nachthemd. 'Ik wou dat het meer regende, dan hadden we meer water'

     'Je kan ook eerder opstaan,' zei Teresa, die haar kleren al had gewassen in de

granieten bak achter het hotel. Nu was het te heet, nu kon je beter rustig aan doen. 
     Antonieta zette haar stoel op de galerij, in de schaduw van de tweede verdieping. Ze was al over de dertig, en klein, maar niet dik. Ze heeft toch twee kinderen, dacht Teresa. Die waren allebei in Californië.
     'Berto is heel precies,' zei Antonieta lachend. 'En jij bent te jong voor hem.'
     'Ik heb honger,' zei Teresa. 'Jij ook? En wil je ook sigaretten?'

     Teresa liep de trap af naar de hal. Don Berto was er al. Hij zat achter de balie en las de krant.
     'Goedemorgen, Don Berto,' zei Teresa.
     'Is Antonieta al op?' vroeg Don Berto.
     'O ja,' zei Teresa terwijl ze naar buiten liep.
     Don Berto legde zijn bril op de krant en zijn handen plat op de balie. Hij leunde voorover en duwde zich van zijn stoel. Hij was zwaar en zuchtte. Hij hees zijn broek over zijn buik en klom naar boven.
     'Hallo,' zei Antonieta.
     Ze liep haar kamer in en trok haar nachthemd op tot haar middel en ging voorover op haar bed liggen. Don Berto deed de deur achter zich dicht en Antonieta dacht aan haar kinderen in Californië en dat ze honger had en ze hoopte dat Teresa niet te lang weg zou blijven.

     Teresa wachtte op de bank in de hal. Ze had een zak met warme pupusas op haar schoot. Een man met korte beentjes stond aan de balie en las Don Berto's krant. Teresa wist wie hij was: een zakenman uit Quito, maar veel kon het niet voorstellen, anders woonde hij niet in het hotel. De man keek over zijn schouder en grijnsde en trok met zijn rechteroog. Teresa keek naar buiten.
     'Je vriendin is aardiger,' zei de man.
     Don Berto kwam de trap af en zuchtte. Hij knikte naar de man uit Quito. Teresa pakte een fles water uit de ijskast en ging met de pupusas in haar andere hand de trap op. Antonieta zat op haar stoel op de galerij.
     'Is die man uit Quito bij je geweest?' vroeg Teresa.
     'O ja,' zei Antonieta lachend. 'Hij gaat voor zaken naar Mexico, zegt hij, maar hij moet hier eerst op zijn vrouw wachten. Want ze gaan samen. Hij is niet kwaad. Als je twintig colón wilt verdienen - hij wil elke dag, net als Berto.'
     Na de pupusas en een sigaret werd het ook op de galerij te heet. Teresa ging naar beneden voor nieuw water. Don Berto lag op de bank te slapen. De man uit Quito was verdwenen. Teresa haalde nog een sigaret bij Antonieta en ging naar haar eigen kamer. M'n was, dacht ze en liep terug en ze haalde haar kleren van de lijn over de parkeerplaats achter het hotel. De zon brandde op haar hoofd en haar schouders. Ze kwam hijgend en klam van de hitte boven. Ze trok haar shirt en jeans uit en draaide de kraan van de wasbak open, maar er was geen water. Ze ging op haar bed liggen en zweette.

Vroeg in de avond werd er geklopt. Teresa stond op, liep naar de wasbak - geen water - en kleedde zich aan.
     'Heb je geen honger?' vroeg de man uit Quito.
     'Ja,' zei Teresa.
     Er was niemand in de hal. Don Berto was al naar huis, maar de nachtportier, Santiago, was er nog niet. Op straat was het nog steeds heet, hoewel de zon al achter de bergen was.
     'Ik hoop dat we wat regen krijgen vannacht,' zei de man.
     'In augustus regent het elke nacht,' zei Teresa.
     In de pupusería was het benauwd. De man uit Quito bestelde dubbele porties met kaas en bonen, en bier.
     'Waar kom je vandaan?' vroeg hij.
     'Uit het oosten, Gotera,' zei Teresa.
     'Maar daar is de oorlog. Ben je daarom hier?'
     'De oorlog stelt niets voor,' zei Teresa. 'Het leger zijn lafaards die te bang zijn om de stad uit te gaan.'
     'En jij bent niet bang?'
     'Voor de muchachos? Dat zijn mijn vrienden.'
     'En Antonieta is je vriendin.'
     'Ja, natuurlijk,' zei Teresa verbaasd.
     'Weet je dat Antonieta Don Berto bij zich laat komen om niet voor haar kamer te betalen?'
     'Nou en?' zei Teresa. 'Ze doen wat voor elkaar.'
     Zodra ze buiten stonden begon het te regenen en terug in het hotel waren ze drijfnat. Santiago zat achter de balie en grijnsde naar de man uit Quito. Teresa liep naar boven voor droge kleren, maar de man kwam achter haar aan. Hij bleef in de deuropening staan en keek naar haar borsten.
     'En wil jij wat voor mij doen?' vroeg hij
     'Wat bedoel je?' zei Teresa en ze draaide zich om.
     De man kwam de kamer in, een hand diep in zijn broekzak en de andere legde hij op Teresa's heup.
     'Wil je niet twintig colón verdienen?' vroeg hij.
     'Nee, bedankt. Ik heb geld,' zei Teresa en ze stapte opzij.
     De man uit Quito schudde zijn hoofd en liep de kamer uit. Teresa draaide de deur op slot, trok haar natte kleren uit en waste zich, want er was nu water door de regen.

De man uit Quito liep terug naar de hal.
     'Wat is er aan de hand?' vroeg Santiago.
     'Ja, wat is er aan de hand,' zei de man. 'Die uit Gotera is toch een putita, of niet?'
     'Maar natuurlijk, man,' zei Santiago. 'Het zijn allemaal putitas hier.'
     Santiago was dronken. Hij was al dronken, elke avond, als hij van Don Berto overnam. Hij woonde in de hal en sliep op de bank. 'S nachts moest je zeker vijf keer bellen voor hij opendeed, maar hij was nooit boos. Dat lukte hem niet meer. Santiago had een broer die in East Brunswick, New Jersey woonde. Dat is praktisch in New York City, had de broer geschreven. Hij had ook geschreven dat hij in een garage werkte en zelf een auto had, en een vrouw, en dat hij gelukkig was. Dat had Santiago hem nooit vergeven.
     De man uit Quito pakte een fles water uit de ijskast en ging naar zijn kamer. Santiago wachtte vijf minuten, deed de voordeur op slot en liep naar boven en klopte bij Teresa.
     'Ik ben 't, Santiago,' zei hij.
     Teresa schoot in haar kleren, die nog nat waren.
     'Wat is er?' vroeg ze.
     Santiago grijnsde en ging op de rand van haar bed zitten. Teresa bleef in de deuropening staan. 
    'Don Berto maakt problemen,' zei hij, 'omdat je je kamer nog niet betaald hebt.'
     'Maar ik krijg geld, volgende week,' zei Teresa. 'En bovendien, er zijn zat kamers vrij.'
     'Don Berto zegt dat hij een zakenman is.'
     'Ik kan ook werken,' zei Teresa. 'Wassen, en schoonmaken.'
     Santiago zweeg en keek naar haar borsten en haar buik. Teresa rilde, van de natte kleren en de tocht door de open deur.
     'Ik zal met Don Berto praten,' zei Santiago, 'maar alleen als je mijn vriendin bent.'
     Hij stond op, lichtte zijn linker hiel van de vloer en schudde zijn kloten in zijn hand.

Teresa stond vroeg op, om Don Berto voor te zijn. Ze ging eerst naar de centrale bananen markt voor ontbijt, en daarna naar de overkant van de rivier, waar de vluchtelingen woonden in huizen van golfplaat, karton en oud hout. De meesten waren vrouwen die pupusas bakten op houtskool vuurtjes terwijl hun kinderen voetbalden in het stof. Teresa liet zich trakteren op frijoles en Coca-Cola, door een muchacho die ook uit het oosten kwam maar vast en zeker volgende week of de week daarop naar Californië vertrok. Pas toen het weer donker was, maar nog voor het begon te regenen, liep ze terug naar het hotel.

De man uit Quito stond midden in de hal, met zijn rug naar de straat en zijn gezicht naar Santiago achter de balie. Hij stond iets door zijn knieën gezakt en hield zijn handen alsof hij stond te pissen, maar hij bewoog. Hij schudde zijn heupen naar voren en terug.
     'Antonieta, man, die is goed,' zei hij. 'Vooral van achteren.'
     Santiago lachte en de man uit Quito grijnsde en Teresa liep door de hal naar de trap.
     Boven hoefde ze niet lang op Santiago te wachten.
     'Don Berto zegt dat je moet betalen,' zei hij. 'Schoonmaken hebben we niet nodig.'
     Hij bleef in de deuropening staan. Teresa stond ook op.
     'O,' zei ze.
     'Maar ik weet wel wat anders,' zei Santiago.
     'Wat dan?' vroeg Teresa.
     'Kan ik niet zeggen. Je moet me vertrouwen.'
     'Dat is goed,' zei Teresa.
     'En mijn vriendin zijn,' zei Santiago.
     Hij stapte van de drempel naar Teresa. Teresa draaide zich om en keek naar de muur. Santiago drukte met zijn onderbuik tegen haar billen en met zijn handen tegen haar buik.
     'Niet nu,' zei Teresa. 'Morgen.'

'Maar laat hem toch, wat kan jou 't schelen?' zei Antonieta 's morgens.
     Ze zat op de trap, tussen de benen van Teresa. Teresa zat een tree hoger en pikte de luizen uit Antonieta's haar.
     'Hij is vies,' zei Teresa. 'Hij stinkt.'
     Antonieta lachte.
     'Dan draai je je om,' zei ze, 'dan zie je hem niet en dan ruik je hem niet.'

Die avond pakte Santiago van onder de balie het schrift waarin Don Berto boek hield. Achter het nummer van Teresa's kamer schreef hij: 'betaald.' Hij had al veel gedronken in zijn leven, Santiago, en erg slim was hij niet. Don Berto was heel precies, een echte zakenman. Hij spaarde de kartonnetjes van het w.c. papier en van elke nieuwe rol maakte hij drie kleintjes. Daar was hij 's ochtends druk mee, tussen Antonieta en siesta. Maar Don Berto woonde niet in het hotel; hij kwam pas 's morgens terug. Santiago sloot af en klom naar Teresa.
     Haar deur was op slot.
     'Ik voel me niet goed,' zei ze. 'En ik ben ook moe.' 
    Santiago liep terug naar de hal en pakte de loper die naast het schrift van Don Berto lag. Maar Teresa was wel slim. Ze had haar sleutel aan de binnenkant in de deur gelaten en een kwartslag gedraaid.
     'Als je me niet binnenlaat zeg ik tegen Don Berto at je geen geld hebt en ook niets krijgt en dan gaat hij naar de politie,' zei Santiago.
     Teresa antwoordde niet en besloot morgen maar naar Gotera terug te gaan.

Santiago vloekte wel, maar hij was geen doorzetter. Bovendien werd er gebeld. Voor de deur stonden drie korte, bonkige mannen. Ze hadden alle drie een snor en een grote polstas die ze tegen hun zij geklemd hielden. 'Policía nacional,' zeiden ze, maar dat wist santiago zo ook wel. Ze kwamen wel vaker, vanwege de oorlog. Ze waren op jacht naar subversieven en in hun polstassen zaten revolvers. Een bleef in de hal en ging op jacht in Don Berto's schrift; de andere twee gingen naar boven. Antonieta's papieren waren in orde, want Don Berto was erg precies, maar de man uit Quito en Teresa moesten mee naar beneden.
     'Ik ben op weg naar Mexico,' zei de man uit Quito, 'voor zaken, maar ik moet op mijn vrouw wachten en ik het een permiso van het directoraat voor migratie.'
     'En jij?' vroeg een van de politiemannen aan Teresa. 'Waar kom jij vandaan?'
     'Uit het oosten, Gotera,' zei Teresa.
     'Vluchteling?'
     Teresa aarzelde en keek toen Santiago recht aan.
     'Ze komt hier werken,' zei Santiago. 'schoonmaken, en wassen.'
     'Waar is je permiso dan?'
     'Die heeft Don Berto, de eigenaar van het hotel,' zei Teresa. 'Ik zal hem morgen vragen.'
     De politiemannen twijfelden. Teresa was nog jong, en aantrekkelijk, maar je wist nooit van tevoren hoe die subversieven eruit zagen. Dat maakte de oorlog zo ingewikkeld. Uiteindelijk besloten ze om maar ergens anders op jacht te gaan. Santiago deed de voordeur op slot.
     'Zo,' zei hij en hij klemde zijn tong om zijn bovenlip. 
     Teresa draaide zich om en liep naar de trap, maar de man uit Quito zat wijdbeens midden op de derde tree en telde met zijn vuist zijn kloten.
     'Eerlijk is eerlijk,' zei hij en hij grijnsde.
     Santiago knoopte en ritste en trok haar jeans naar beneden en hij pakte met twee handen haar knie en lichtte een voet uit de pijp en duwde haar naar de bank en ze struikelde bijna over de broek om haar enkel en ze ging op de bank zitten maar Santiago duwde haar achterover en ze was niet bang, het was haar wel eerder overkomen, thuis in Gotera, maar ze had er een hekel aan en Santiago stonk zo en haar linkerbeen zat klem tegen de rugleuning en Santiago vloekte want zijn linkerbeen gleed van de bank op de stenen vloer en Teresa zei: 'Wacht even,' en duwde hem van zich af en draaide zich op haar buik en een kwartslag en liet haar knieën op de vloer zakken, die koud was, en Santiago neukte haar als een hond.
     'Olé!' zei de man uit Quito. 

 



door Geert van der Kolk 31 augustus 2026
On the metro you have to pay attention. There are more than three hundred stations, and they all have similar names. They are named after saints, obscure dead politicians (Ledru-Rollin, Jules Ferry), and long-forgotten battles (Eylau, Rivoli). If you are not careful, for example if you are reading a book, you will pass your station right by. That is why I didn't surface again at Place de Clichy, but at Porte de Clichy. I stood amidst the noise of the Boulevard Périphérique and in the shadow of the Tribunal, the courthouse of Paris. It is not an impressive temple to the goddess of justice, like the Palais de Justice on Île de la Cité. It inspires no respect for the wisdom of the law, but awe for large-scale bureaucratic efficiency. Since I was already there anyway and am curious by nature, I went inside. I walked into a random courtroom. The defendant, who lived in the 19th arrondissement, had struck his neighbor on the head with a bottle. The prosecutor made a key point of the fact that it was a glass bottle and therefore practically a murder weapon. The defendant's criminal and social background was thoroughly examined. He was born in Senegal and had lived in France long enough to be sentenced to six months in Bordeaux in 2004 for attempted robbery. He also had a number of thefts to his name. In between he had done regular work most of the time, but since 2015 he was on welfare. His lawyer had little faith in it. He did not deny that his client had made a mistake, but made a big deal of the constantly rising cost of living and the high unemployment, which particularly affected the 19th and 20th arrondissements. He started to recite statistics, but the prosecutor interrupted him and said that unemployment in France was not that bad and that she, too, was suffering from high prices, but that it had never occurred to her to bash her neighbor's head in. The suspect and his victim did not speak themselves, the former probably on the advice of his lawyer and the latter because he was still in the hospital. The three judges of the tribunal also remained silent. You couldn’t say for sure if they were listening attentively, as all three had a computer screen in front of them. They did make a serious impression, however, so I do not think they were playing digital versions of solitaire, gallows, or Battleship. I was curious to see how the verdict would turn out, but the wheels of justice turn slowly. The hearing was adjourned, and the bottle man was escorted away by a stern-looking guard in a dark blue uniform. I walked to the courtroom next door. A group of people came out with in their midst a pityfully weeping woman. Here something serious had happened, but I missed it. The guard at the door stopped me and said that the court was closing. The courthouse hall is large, high, brightly lit, and bare. The floor is sparkling smooth and clean, footsteps sound hollow, and voices are muffled. You feel like a very small little human as you walk toward the exit, and you breathe a sigh of relief when you are back outside. But the tribunal's intimidating radiance does not extend far. On the square in front of the building is a metro entrance. There, just like at all stations on the north side of the city, a few boys are selling duty-free, smuggled cigarettes. Letter from Paris 2, published in Dutch in ARGUS Magazine in August 2026
door Geert van der Kolk 31 augustus 2026
In de metro moet je opletten. Er zijn meer dan driehonderd stations en ze hebben allemaal soortgelijke namen. Ze heten naar heiligen, obscure dode politici (Ledru-Rollin, Jules Ferry) en lang vergeten veldslagen (Eylau, Rivoli). Als je niet oplet, als je bijvoorbeeld een boek zit te lezen, rij je je station zo voorbij. Zo kwam ik niet bij Place de Clichy weer aan de oppervlakte, maar bij Porte de Clichy. Ik stond in het kabaal van de Boulevard Périphérique en in de schaduw van het Tribunal, de rechtbank van Parijs. Het is geen indrukwekkende tempel voor de godin der gerechtigheid, zoals het Palais de Justice op Île de la Cité. Het inspireert geen respect voor de wijsheid van de wet, maar ontzag voor grootschalige bureaucratische efficiëntie. Omdat ik er nu toch al was en nieuwsgierig van aard ben, ging ik naar binnen. Ik liep een willekeurige rechtszaal in. De verdachte had in het 19de arrondissement zijn buurman met een fles op zijn hoofd geslagen. De procureur maakte er een speerpunt van dat het een glázen fles was en dus praktisch een moordwapen. Het criminele en sociale doopceel van de verdachte werd gelicht. Hij was geboren in Senegal en woonde al lang genoeg in Frankrijk om in 2004 in Bordeaux veroordeeld te worden tot zes maanden voor een mislukte roofoverval. Hij had ook een aantal diefstallen op zijn naam en in de tussentijd meestal gewoon gewerkt, maar sinds 2015 zat hij in de bijstand. Zijn advocaat had er weinig fiducie in. Hij ontkende niet dat zijn cliënt in de fout was gegaan, maar hield een betoog over de voortdurend stijgende kosten van levensonderhoud en de grote werkloosheid, die vooral het 19de en 20ste arrondissement troffen. Hij wilde er statistieken bijhalen, maar de procureur wierp tegen dat het met de werkloosheid in Frankrijk best meeviel en dat zij ook last had van de hoge prijzen, maar dat het nooit in haar hoofd was opgekomen om haar buurman de hersens in te slaan. De verdachte en zijn slachtoffer kwamen zelf niet aan het woord, de eerste vast op advies van zijn advocaat en de tweede omdat hij nog in het ziekenhuis lag. De drie rechters van het tribunaal zeiden ook niets. Of ze aandachtig zaten te luisteren kon je niet met zekerheid zeggen, omdat ze alle drie een computerscherm voor hun neus hadden. Ze maakten wel een serieuze indruk, dus ik denk niet dat ze digitale versies van patience, galgen of zeeslag zaten te spelen. Ik was benieuwd hoe het vonnis zou uitvallen, maar de raderen van het recht draaien langzaam. De zitting werd verdaagd en de flessentrekker afgevoerd door een streng kijkende cipier in donkerblauw uniform. Ik liep naar de rechtszaal ernaast. Een groep mensen kwam naar buiten met in hun midden een huilende vrouw. Hier was echt iets gebeurd, maar ik had het gemist. De portier hield me tegen en zei dat het hof ging sluiten. De hal van het gerechtshof is groot, hoog, hel verlicht en kaal. De vloer glimt, voetstappen klinken hol en stemmen zijn gedempt. Je voelt je maar een klein mensje als je naar de uitgang loopt en je haalt opgelucht adem als je weer buiten staat. Maar de afschrikkende uitstraling van het tribunaal reikt niet ver. Op het plein voor het gebouw is een metro-ingang. Daar staan, net zoals bij alle stations aan de noordkant van de stad, een paar jongens accijnsvrije, gesmokkelde sigaretten te verkopen. Brief uit Parijs 2, verschenen in ARGUS 229, augustus 2026
door Geert van der Kolk 28 juli 2026
Père Lachaise worked in education, but he owes his fame to his side job as confessor to Louis XIV. He lived with a pack of Jesuits in a large house on the east side of the city. The revolution not only made short work of the monarchy, but also of the Catholic Church's real estate. Napoleon had the Jesuits' vegetable garden ploughed up and turned it into a public cemetery. It is only a fifteen-minute walk from my apartment, and I pop over there every now and then to visit Proust and Oscar Wilde. If you get lost—and that is a pleasure among the large old trees—you sometimes bump into Chopin, or Modigliani, or Jim Morrison. One afternoon, as I was looking for the exit, it occurred to me that the cemetery is so famous that if you ever want to be buried there yourself, you have to think ahead a bit. I assumed there would be a substantial waiting list and that it was high time to put my name on it. I hoped you would be able to indicate a preference. I could, after my death, live with idea of having Proust or Wilde as a neighbor. Or with Edith Piaf; she’ll probably keep her mouth shut in the evenings now. Preferably not Morrison; I’ve always thought he was a pretentious loudmouth. Most of all, I would like to lie next to the Mur des Fédérés, in a corner of the cemetery, where the last Communards gathered in late May 1871 after their attempt to turn Paris into something socialist had failed. They held out to the last man against the government army. That was heroic, and practical too. They could be buried right there on the spot. The cemetery’s office is on all sides surrounded by gravestones, so you can get used to the idea. And there is no waiting list. At first, I misunderstood that. For a moment, I thought you could just knock on the gate when the time came. That seemed a reassuring thought to me, and of course, it was too good to be true. The official on duty, a friendly man who gave the impression that he often talked with people who think about death, explained that you had to call to ask if there was a spot available. One may only call if one lives in Paris, he said—which seemed quite logical to me at a municipal cemetery—and if one is dead. In French, you can get away with that; “on” is much more versatile than one —so he didn't understand why I had to hold back my laughter. A waiting list, he concluded, would be unfair. Every citizen, rich or poor, famous or obscure, must have the same chance. During our conversation, he received three calls and had to turn people away each time. ‘Do you ever have funerals here?’ I asked. 'Certainly, monsieur ‘,’ said the official proudly. ‘Many families have thought about the future and have a grave with some space left. And sometimes someone who calls gets lucky; that happens too. Moreover, there is always room in our crematorium.’
door Geert van der Kolk 28 juli 2026
Père Lachaise werkte in het onderwijs, maar hij dankt zijn faam aan zijn bijbaantje als biechtvader van Lodewijk XIV. Hij woonde met een roedel jezuïeten in een groot huis aan de oostkant van de stad. De revolutie maakte niet alleen korte metten met het koningshuis, maar ook met het vastgoed van de katholieke kerk. Napoleon liet de moestuin van de jezuïeten omploegen en maakte er een openbare begraafplaats van. Het is maar een kwartiertje van mijn appartement en ik loop er zo nu en dan even heen om bij Proust en Oscar Wilde langs te gaan. Als je verdwaalt - en dat is een genoegen tussen de grote oude bomen - kom je soms zomaar Chopin tegen, of Modigliani, of Jim Morrison. Op een namiddag toen ik op zoek was naar de uitgang kwam het bij me op dat de begraafplaats zo beroemd is dat je, als je er zelf ooit wilt liggen, een beetje vooruit moet denken. Ik nam aan dat er een flinke wachtlijst zou zijn en dat het hoog tijd was om mijn naam erop te zetten. Ik hoopte dat je een voorkeur zou kunnen opgeven. Met Proust of Wilde als buurman zou ik na mijn dood best kunnen leven. Of met Edith Piaf, die zal nu ‘s avonds haar mond wel houden. Morrison liever niet, die heb ik altijd een pretentieuze schreeuwlelijk gevonden. Het liefste zou ik bij de Mur des Fédérés liggen, in een uithoek van de begraafplaats, waar de laatste Communards zich eind mei 1871 verzamelden nadat hun poging om van Parijs iets socialistisch te maken was mislukt. Ze hielden tot de laatste man stand tegen het leger van de regering. Dat was heroïsch, en ook praktisch. Ze konden meteen ter plekke worden begraven. Het bureau dat erover gaat is midden tussen de grafzerken, zodat je vast aan het idee kunt wennen. En er is geen wachtlijst. Eerst begreep ik dat verkeerd. Ik dacht even dat je gewoon kon aankloppen als het zover was. Dat leek me een geruststellend idee en het was natuurlijk te mooi om waar te zijn. De dienstdoende ambtenaar, een vriendelijke man die de indruk wekte dat hij vaak sprak met mensen die over de dood nadenken, legde uit dat je moest bellen om te vragen of er plaats was. Men mag alleen bellen als men in Parijs woont, zei hij, wat mij nogal logisch leek op een gemeentelijke begraafplaats, en als men dood is. In het Frans kan je dat maken, “on” is veelzijdiger dan ons “men”, dus hij snapte niet waarom ik mijn lachen in moest houden. Een wachtlijst, besloot hij, zou onrechtvaardig zijn. Elke burger, arm of rijk, beroemd of obscuur, moet dezelfde kans hebben. Tijdens ons gesprek werd hij drie keer gebeld en moest telkens nee verkopen. ‘Vinden hier ooit begrafenissen plaats?’ vroeg ik. ‘Jazeker, monsieur,’ zei de ambtenaar trots. ‘Veel families hebben aan de toekomst gedacht en beschikken over een graf waar nog wat plaats over is. En soms heeft iemand die opbelt ineens geluk, dat komt ook voor. Bovendien is er altijd ruimte in ons crematorium.’
Photo of a boy writing on a boot
door Geert van der Kolk 4 maart 2021
When we sailed to the Bahamas, the children were eleven and thirteen. They were in school, of course, but in the US education is organized in a unique way. There are no national examinations, there is no Federal oversight or inspection, everything is done at a local level. In addition, there are countless private schools that do not answer to any authority. Nico and Jana attended the public school. On the advice of the principal I called the County Commissioner and told him we were going away for a while. 
Foto van de auteur Geert van der Kolk
door Geert van der Kolk 1 maart 2021
In the autumn of 1980 I traveled by train from Holland via Osnabrück and Hanover to East Berlin. I was twenty-six at the time. On the way I read "The Berlin Stories" by the English writer Christopher Isherwood, who was riding the same rails exactly fifty years earlier, when he was twenty-six.
Foto van een jongen die schrijft in een boot
door Geert van der Kolk 8 februari 2021
Toen we naar de Bahama's zeilden waren de kinderen elf en dertien. Ze zaten natuurlijk gewoon op school, maar in Amerika is het onderwijs op een unieke manier geregeld. Landelijke examens bestaan niet, er is geen ministerie dat toezicht houdt, alles gebeurt op plaatselijk niveau. Er zijn bovendien talloze particuliere scholen die zich van geen enkele inspectie iets aantrekken. Nico en Jana zaten op de openbare gemeenteschool. Op advies van de directeur belde ik het kantoor van de wethouder en vertelde dat we een tijdje weg gingen. 
Photo of a typewriter
door Geert van der Kolk 6 februari 2021
'He live here?' the punk asked. 'This is a restaurant.' 'It's the right address ,' I said. We parked at the bottom of the hill, at the river bank. 'Caddie ain't here,' the punk said. He had a talent for making superfluous remarks. The parking lot was empty. I straightened my tie and got out of the car. The punk didn't move.
Foto van een boot op het water met blauwe lucht
door Geert van der Kolk 30 januari 2021
Even dachten we dat we in de verte een grote witte stad zagen. We zagen paleizen en kathedralen en herenhuizen met hoge puntdaken, die waren omringd door een muur met glinsterende torens. In werkelijkheid waren het honderden immense ijsbergen die de horizon van noord tot zuid opvulden. Toen we dichterbij kwamen brak de muur van ijs open en tussen de grote bergen lagen velden vol schotsen en kleinere ijsbrokken. We hadden nog tien mijl te gaan tot Ilulissat aan de mond van de Jakobshavn Isfjord, maar konden niet verder. De Isfjord is de grootste gletscher aan de westkust van Groenland en de baarmoeder van alle ijsbergen in de Atlantische Oceaan. 
Foto van de auteur Geert van der Kolk
door Geert van der Kolk 26 november 2020
 In het najaar van 1980 reisde ik met de trein via Osnabrück en Hannover naar Oost-Berlijn. Ik was toen zesentwintig. Onderweg las ik 'The Berlin Stories' van de Engelse schrijver Christopher Isherwood, die precies vijftig jaar eerder, toen hij zesentwintig was, over dezelfde rails reed.
Meer posts