Kroniek

Als ik uit het raam van mijn werkkamer kijk en mijn hoofd een beetje scheef draai, zoals een duif, kan ik de Eiffeltoren zien. Hij lijkt maar klein, van deze kant van de stad, dus hij staat me niet in de weg. Ik ben zelfs een beetje aan hem gehecht. Hij schijnt als het donker wordt elke vijftien seconden met zijn zwaailicht over ons heen, precies zoals een vuurtoren. Toen de toren nieuw was stond hij enorm in de weg. Guy de Maupassant vond het zo’n onding dat hij er een campagne tegen organiseerde. In een Open Brief die door tientallen destijds prominente schrijvers en kunstenaars werd ondertekend, noemde hij de toren een reusachtig harkerig skelet en een magere, bespottelijke fabrieksschoorsteen, die het voorname aangezicht van Parijs voor altijd zou verpesten. Dankzij de ondoorgrondelijke wegen van de Franse politiek ging de bouw gewoon door en toen het harkerige skelet klaar was, ging De Maupassant regelmatig lunchen in het restaurant op de eerste verdieping. Als vrienden verbaasd vroegen waarom, zat hij niet om een bon mot verlegen en zei dat het de enige plek in de stad was waar je het kreng niet kon zien. De toren is nu een embleem van Parijs, net zoals de Grand Boulevards van baron Haussmann, waar Charles Baudelaire een generatie eerder tevergeefs tegen schold. Niemand weet meer precies hoe de stad eruit zag voor Haussmann grote delen sloopte en zijn lange, wat eentonige rijen van deftige appartementengebouwen optrok. De plek waar nu de Eiffeltoren staat, kan je je eenvoudiger voor de geest halen. Het was een modderig stuk land met kleine groentetuintjes, een achttiende-eeuws volkstuincomplex. Later werd het een malieveld, het Champ de Mars, waar jonge officieren van de École Militaire, onder wie luitenant Bonaparte, konden oefenen en paraderen. Voor de toren is dus niets met de grond gelijk gemaakt, er is alleen iets heel groots bijgekomen. Toen ik net in Parijs was en nog geen eigen werkkamer had, ging ik vaak naar de Bibliothèque Mazarine aan de Quai de Conti. De bibliotheek hoort bij de Académie française, een illuster instituut dat niet wordt gehinderd door valse bescheidenheid en zijn bekendste leden Les Immortels noemt. Stervelingen mogen ook naar binnen en voor €19 per jaar gebruik maken van de mooiste leeszaal van de stad. Als ik aan het eind van de middag over de Pont des Arts naar de metro liep, moest ik een slalom maken rond kleedjes waarop tientallen Eiffeltorentjes te koop werden aangeboden. Ze waren van plastic of tin en niet eerlijk bruin verroest, zoals de echte toren, maar goud of zilver geverfd. De boucanistes op beide kades van de Seine hebben behalve oude boeken ook altijd allerlei afbeeldingen van de toren in hun stalletjes, niet alleen echte en nagemaakte oude gravures, maar ook tekeningen en schilderijtjes in alle genres kitsch, tot neonverf aan toe. Iedereen die Parijs bezoekt kan een prul mee naar huis nemen. Zelf heb ik een bijzondere souvenir, een herinnering die dateert van lang voor ik ooit in Parijs was geweest. In Velsen had ik een overbuurjongen tegen wie ik opkeek omdat hij een paar jaar ouder was. Hij had van Meccano een model van de toren gebouwd. Het stond bij hem thuis in een hoek van de eetkamer en raakte op een haar na het plafond.

Mijn vriendin Marie nodigde me uit om te gaan eten in La Chapelle, een buurt aan de noordkant van de stad die ligt ingeklemd tussen Gare du Nord en Gare de l’Est. Het is een quartier indien . De begane grond van bijna elk pand is een winkel met heerlijkheden die je in geen enkele Carrefour kunt krijgen, een restaurant, of een tempel. Marie weet er de weg. Ze heeft aan de Sorbonne Hindi en Sanskriet gestudeerd en is vele malen in India geweest. We gingen eerst naar een tempel van Ganesj, de god met het hoofd van een olifant. Hij is de zoon van Shiva, maar die had het te druk met zijn godenwerk om veel aandacht aan zijn gezin te besteden. Toen hij jaren later weer eens zin kreeg in Ganesj’s moeder, herkende zijn zoon hem niet en wilde hem tegenhouden, maar ja, dat kan je met Shiva beter niet proberen. Shiva hakte Ganesj’s hoofd af. Toen hij besefte wat hij had gedaan kreeg hij spijt en zwoer hij dat hij zijn zoon het hoofd zou geven van de eerste de beste die hij tegenkwam. En dat was dus een olifant. In het Hindoestaanse pantheon is Ganesj een van de populairste goden. Hij is minder willekeurig en gewelddadig dan Shiva en minder saai dan Visjnoe. Hij wordt altijd afgebeeld met een glimlach onder zijn slurf en hij zit met zijn gezellige dikke buik tevreden op een lotusbloem, omringd door schalen met lekkernijen. Hij is een welwillende god, die je kan helpen bij het oplossen van problemen in je leven. Aan zo’n god is universeel behoefte. Op de stoep voor het tempeltje in La Chapelle lagen stapels schoenen en binnen was het bomvol. Volgens Marie is dat elke dag zo. Hindoestaanse goden zijn geen symbolen, maar actieve deelnemers aan het menselijk bestaan. Ze léven, bij wijze van spreken, en dat betekent dat ze moeten eten. Elke dag. Toen we Ganesj een offerande hadden gegeven, gingen we zelf eten. De cuisine indienne is even gevarieerd en complex als de Chinese en de Franse. Als je in La Chapelle een eettent binnenloopt moet je voorbereid zijn op een verrassing, maar fout gaan kan het niet, mits je een avontuurlijke eter bent. Marie at met haar rechterhand, zoals dat in India hoort, en vertelde honderduit over haar speciale belangstelling voor de Sadoe’s, een ascetische sekte die ze voor het eerst jaren geleden had leren kennen in de Himalaya, op een pelgrimsroute naar de bron van de Ganges. Halverwege, zo hoog en koud dat er al ijs op de rivier lag, woonden vijftien Sadoe’s in een grot. Echte Sadoe’s zijn serieuze asceten. Ze eten alleen als ze iets aangeboden krijgen van een voorbijkomende pelgrim, en anders eten ze niet. Ze knippen hun haar niet; sommigen hebben een dos die tot de grond reikt en die ze om hun middel moeten binden als ze ergens naartoe willen lopen. Dat doen ze overigens niet vaak. Meestal zitten ze met gekruiste benen voor zich uit te kijken. In hun blootje, want kleren vinden ze een verwerpelijke luxe. Marie had zich verdiept in Indiase spiritualiteit en was aan de Sorbonne geschoold in de etnografische methode die participerende observatie heet. Ze zag hier een buitenkans en trok bij de asceten in. Ze woonde drie maanden met vijftien naakte mannen in een grot en kwam terug naar Parijs met iets zeldzaams, een uniek verhaal. Brief uit Parijs (3) gepubliceerd in Argus in september 2026

In de metro moet je opletten. Er zijn meer dan driehonderd stations en ze hebben allemaal soortgelijke namen. Ze heten naar heiligen, obscure dode politici (Ledru-Rollin, Jules Ferry) en lang vergeten veldslagen (Eylau, Rivoli). Als je niet oplet, als je bijvoorbeeld een boek zit te lezen, rij je je station zo voorbij. Zo kwam ik niet bij Place de Clichy weer aan de oppervlakte, maar bij Porte de Clichy. Ik stond in het kabaal van de Boulevard Périphérique en in de schaduw van het Tribunal, de rechtbank van Parijs. Het is geen indrukwekkende tempel voor de godin der gerechtigheid, zoals het Palais de Justice op Île de la Cité. Het inspireert geen respect voor de wijsheid van de wet, maar ontzag voor grootschalige bureaucratische efficiëntie. Omdat ik er nu toch al was en nieuwsgierig van aard ben, ging ik naar binnen. Ik liep een willekeurige rechtszaal in. De verdachte had in het 19de arrondissement zijn buurman met een fles op zijn hoofd geslagen. De procureur maakte er een speerpunt van dat het een glázen fles was en dus praktisch een moordwapen. Het criminele en sociale doopceel van de verdachte werd gelicht. Hij was geboren in Senegal en woonde al lang genoeg in Frankrijk om in 2004 in Bordeaux veroordeeld te worden tot zes maanden voor een mislukte roofoverval. Hij had ook een aantal diefstallen op zijn naam en in de tussentijd meestal gewoon gewerkt, maar sinds 2015 zat hij in de bijstand. Zijn advocaat had er weinig fiducie in. Hij ontkende niet dat zijn cliënt in de fout was gegaan, maar hield een betoog over de voortdurend stijgende kosten van levensonderhoud en de grote werkloosheid, die vooral het 19de en 20ste arrondissement troffen. Hij wilde er statistieken bijhalen, maar de procureur wierp tegen dat het met de werkloosheid in Frankrijk best meeviel en dat zij ook last had van de hoge prijzen, maar dat het nooit in haar hoofd was opgekomen om haar buurman de hersens in te slaan. De verdachte en zijn slachtoffer kwamen zelf niet aan het woord, de eerste vast op advies van zijn advocaat en de tweede omdat hij nog in het ziekenhuis lag. De drie rechters van het tribunaal zeiden ook niets. Of ze aandachtig zaten te luisteren kon je niet met zekerheid zeggen, omdat ze alle drie een computerscherm voor hun neus hadden. Ze maakten wel een serieuze indruk, dus ik denk niet dat ze digitale versies van patience, galgen of zeeslag zaten te spelen. Ik was benieuwd hoe het vonnis zou uitvallen, maar de raderen van het recht draaien langzaam. De zitting werd verdaagd en de flessentrekker afgevoerd door een streng kijkende cipier in donkerblauw uniform. Ik liep naar de rechtszaal ernaast. Een groep mensen kwam naar buiten met in hun midden een huilende vrouw. Hier was echt iets gebeurd, maar ik had het gemist. De portier hield me tegen en zei dat het hof ging sluiten. De hal van het gerechtshof is groot, hoog, hel verlicht en kaal. De vloer glimt, voetstappen klinken hol en stemmen zijn gedempt. Je voelt je maar een klein mensje als je naar de uitgang loopt en je haalt opgelucht adem als je weer buiten staat. Maar de afschrikkende uitstraling van het tribunaal reikt niet ver. Op het plein voor het gebouw is een metro-ingang. Daar staan, net zoals bij alle stations aan de noordkant van de stad, een paar jongens accijnsvrije, gesmokkelde sigaretten te verkopen. Brief uit Parijs 2, verschenen in ARGUS 229, augustus 2026

Père Lachaise werkte in het onderwijs, maar hij dankt zijn faam aan zijn bijbaantje als biechtvader van Lodewijk XIV. Hij woonde met een roedel jezuïeten in een groot huis aan de oostkant van de stad. De revolutie maakte niet alleen korte metten met het koningshuis, maar ook met het vastgoed van de katholieke kerk. Napoleon liet de moestuin van de jezuïeten omploegen en maakte er een openbare begraafplaats van. Het is maar een kwartiertje van mijn appartement en ik loop er zo nu en dan even heen om bij Proust en Oscar Wilde langs te gaan. Als je verdwaalt - en dat is een genoegen tussen de grote oude bomen - kom je soms zomaar Chopin tegen, of Modigliani, of Jim Morrison. Op een namiddag toen ik op zoek was naar de uitgang kwam het bij me op dat de begraafplaats zo beroemd is dat je, als je er zelf ooit wilt liggen, een beetje vooruit moet denken. Ik nam aan dat er een flinke wachtlijst zou zijn en dat het hoog tijd was om mijn naam erop te zetten. Ik hoopte dat je een voorkeur zou kunnen opgeven. Met Proust of Wilde als buurman zou ik na mijn dood best kunnen leven. Of met Edith Piaf, die zal nu ‘s avonds haar mond wel houden. Morrison liever niet, die heb ik altijd een pretentieuze schreeuwlelijk gevonden. Het liefste zou ik bij de Mur des Fédérés liggen, in een uithoek van de begraafplaats, waar de laatste Communards zich eind mei 1871 verzamelden nadat hun poging om van Parijs iets socialistisch te maken was mislukt. Ze hielden tot de laatste man stand tegen het leger van de regering. Dat was heroïsch, en ook praktisch. Ze konden meteen ter plekke worden begraven. Het bureau dat erover gaat is midden tussen de grafzerken, zodat je vast aan het idee kunt wennen. En er is geen wachtlijst. Eerst begreep ik dat verkeerd. Ik dacht even dat je gewoon kon aankloppen als het zover was. Dat leek me een geruststellend idee en het was natuurlijk te mooi om waar te zijn. De dienstdoende ambtenaar, een vriendelijke man die de indruk wekte dat hij vaak sprak met mensen die over de dood nadenken, legde uit dat je moest bellen om te vragen of er plaats was. Men mag alleen bellen als men in Parijs woont, zei hij, wat mij nogal logisch leek op een gemeentelijke begraafplaats, en als men dood is. In het Frans kan je dat maken, “on” is veelzijdiger dan ons “men”, dus hij snapte niet waarom ik mijn lachen in moest houden. Een wachtlijst, besloot hij, zou onrechtvaardig zijn. Elke burger, arm of rijk, beroemd of obscuur, moet dezelfde kans hebben. Tijdens ons gesprek werd hij drie keer gebeld en moest telkens nee verkopen. ‘Vinden hier ooit begrafenissen plaats?’ vroeg ik. ‘Jazeker, monsieur,’ zei de ambtenaar trots. ‘Veel families hebben aan de toekomst gedacht en beschikken over een graf waar nog wat plaats over is. En soms heeft iemand die opbelt ineens geluk, dat komt ook voor. Bovendien is er altijd ruimte in ons crematorium.’

Toen we naar de Bahama's zeilden waren de kinderen elf en dertien. Ze zaten natuurlijk gewoon op school, maar in Amerika is het onderwijs op een unieke manier geregeld. Landelijke examens bestaan niet, er is geen ministerie dat toezicht houdt, alles gebeurt op plaatselijk niveau. Er zijn bovendien talloze particuliere scholen die zich van geen enkele inspectie iets aantrekken. Nico en Jana zaten op de openbare gemeenteschool. Op advies van de directeur belde ik het kantoor van de wethouder en vertelde dat we een tijdje weg gingen.

Even dachten we dat we in de verte een grote witte stad zagen. We zagen paleizen en kathedralen en herenhuizen met hoge puntdaken, die waren omringd door een muur met glinsterende torens. In werkelijkheid waren het honderden immense ijsbergen die de horizon van noord tot zuid opvulden. Toen we dichterbij kwamen brak de muur van ijs open en tussen de grote bergen lagen velden vol schotsen en kleinere ijsbrokken. We hadden nog tien mijl te gaan tot Ilulissat aan de mond van de Jakobshavn Isfjord, maar konden niet verder. De Isfjord is de grootste gletscher aan de westkust van Groenland en de baarmoeder van alle ijsbergen in de Atlantische Oceaan.

Teresa was na de Fiesta van de heilige Salvador in de stad blijven hangen, meer zomaar dan met opzet, en na een week was haar geld op. 'Ik blijf liever hier,' zei ze. 'Thuis in Gotera is toch geen werk, en het is er zo saai door de oorlog.' Ze zat op de rand van Antonieta's bed. 'Blijf dan,' zei Antonieta vanuit de douche. Ze waste haar voeten in de wasbak. 'Hoe laat is het? Is het al zo laat? Het water is op.' 'Ik heb geen geld,' zei Teresa. 'Don Berto vroeg gisteren wanneer ik zou betalen, omdat hij ook rekeningen heeft.' Antonieta kwam uit de douche, in een vuilwit nachthemd. 'Ik wou dat het meer regende, dan hadden we meer water ' 'Je kan ook eerder opstaan,' zei Teresa, die haar kleren al had gewassen in de

I n Washington ging ik elke drieduizend mijl met mijn auto naar de Ford garage in Rockville, een grote, kleurloze voorstad. De servicebeurt (olie verversen, nieuwe filters, wielen verwisselen indien nodig) duurde ongeveer een uur. Er was een wachtkamer met een koffieautomaat, een televisie en oude jaargangen van National Geographic Magazine, maar ik ging altijd naar buiten en liep langs de showroom met nieuwe Mustangs en Thunderbirds en de parkeerplaats met occasions, langs een elektronica discount en een meubelpaleis. Mijn bestemming was het kerkhof van St. Mary’s Catholic Church. Daar ligt, ingeklemd tussen de zes rijbanen van Rockville Pike, de vier rijbanen van Veers Mill Road en het dubbelspoor van de metro, F. Scott Fitzgerald begraven.
