De flessentrekker
In de metro moet je opletten. Er zijn meer dan driehonderd stations en ze hebben allemaal soortgelijke namen. Ze heten naar heiligen, obscure dode politici (Ledru-Rollin, Jules Ferry) en lang vergeten veldslagen (Eylau, Rivoli). Als je niet oplet, als je bijvoorbeeld een boek zit te lezen, rij je je station zo voorbij. Zo kwam ik niet bij Place de Clichy weer aan de oppervlakte, maar bij Porte de Clichy. Ik stond in het kabaal van de Boulevard Périphérique en in de schaduw van het Tribunal, de rechtbank van Parijs. Het is geen indrukwekkende tempel voor de godin der gerechtigheid, zoals het Palais de Justice op Île de la Cité. Het inspireert geen respect voor de wijsheid van de wet, maar ontzag voor grootschalige bureaucratische efficiëntie.
Omdat ik er nu toch al was en nieuwsgierig van aard ben, ging ik naar binnen. Ik liep een willekeurige rechtszaal in. De verdachte had in het 19de arrondissement zijn buurman met een fles op zijn hoofd geslagen. De procureur maakte er een speerpunt van dat het een glázen fles was en dus praktisch een moordwapen. Het criminele en sociale doopceel van de verdachte werd gelicht. Hij was geboren in Senegal en woonde al lang genoeg in Frankrijk om in 2004 in Bordeaux veroordeeld te worden tot zes maanden voor een mislukte roofoverval. Hij had ook een aantal diefstallen op zijn naam en in de tussentijd meestal gewoon gewerkt, maar sinds 2015 zat hij in de bijstand.
Zijn advocaat had er weinig fiducie in. Hij ontkende niet dat zijn cliënt in de fout was gegaan, maar hield een betoog over de voortdurend stijgende kosten van levensonderhoud en de grote werkloosheid, die vooral het 19de en 20ste arrondissement troffen. Hij wilde er statistieken bijhalen, maar de procureur wierp tegen dat het met de werkloosheid in Frankrijk best meeviel en dat zij ook last had van de hoge prijzen, maar dat het nooit in haar hoofd was opgekomen om haar buurman de hersens in te slaan.
De verdachte en zijn slachtoffer kwamen zelf niet aan het woord, de eerste vast op advies van zijn advocaat en de tweede omdat hij nog in het ziekenhuis lag. De drie rechters van het tribunaal zeiden ook niets. Of ze aandachtig zaten te luisteren kon je niet met zekerheid zeggen, omdat ze alle drie een computerscherm voor hun neus hadden. Ze maakten wel een serieuze indruk, dus ik denk niet dat ze digitale versies van patience, galgen of zeeslag zaten te spelen.
Ik was benieuwd hoe het vonnis zou uitvallen, maar de raderen van het recht draaien langzaam. De zitting werd verdaagd en de flessentrekker afgevoerd door een streng kijkende cipier in donkerblauw uniform. Ik liep naar de rechtszaal ernaast. Een groep mensen kwam naar buiten met in hun midden een huilende vrouw. Hier was echt iets gebeurd, maar ik had het gemist. De portier hield me tegen en zei dat het hof ging sluiten.
De hal van het gerechtshof is groot, hoog, hel verlicht en kaal. De vloer glimt, voetstappen klinken hol en stemmen zijn gedempt. Je voelt je maar een klein mensje als je naar de uitgang loopt en je haalt opgelucht adem als je weer buiten staat. Maar de afschrikkende uitstraling van het tribunaal reikt niet ver. Op het plein voor het gebouw is een metro-ingang. Daar staan, net zoals bij alle stations aan de noordkant van de stad, een paar jongens accijnsvrije, gesmokkelde sigaretten te verkopen.
Brief uit Parijs 2, verschenen in ARGUS 229, augustus 2026








